Triumph

Bombardementen, branden, faillissementen… het Britse motorfietsmerk Triumph heeft zich met het nodige vallen en opstaan door haar eigen geschiedenis weten te worstelen, maar bestaat desondanks nog steeds.

Triumph motorfiets

Wie in de voetsporen van Marlon Brando of Steve McQueen wil treden, kan plaatsnemen op een “Bonnie” of een van de andere Triumph-modellen.

Het begin van een triomftocht

In 1883 vestigt de Duitse zakenman Siegfried Bettmann zich in Engeland. Hij begint daar eerst naaimachines te verkopen, maar richt zich al snel op een relatief nieuw product dat het land aan het veroveren is: de fiets. Bentmann, die spoedig hulp krijgt van de eveneens Duitse ingenieur Mauritz Schulte, geeft zijn fietsen bewust een naam mee die in diverse landen gemakkelijk te begrijpen is: Triumph.

Met de opkomst van de interne verbrandingsmotor aan het eind van de 19de eeuw ligt de volgende stap voor de hand: in 1902 begint het bedrijf uit Coventry ook motorfietsen te fabriceren.

Het eerste model, simpelweg bekend als “No. 1”, is in feite niet veel meer dan een versterkte fiets waaraan een Minerva-motortje van Belgische makelij is bevestigd. Via een riemensysteem zorgt dit voor de aandrijving.

In 1905 verschijnt een verfijnder model van eigen makelij op de markt: Model 3HP. Uitgerust met een 363 cc-motor kan dit voertuig volgens de makers een topsnelheid van ruim 70 kilometer per uur bereiken. Of dat op de wegen uit die tijd valt aan te raden, is een ander verhaal…

In andere handen

In de decennia daarna blijft de onderneming gestaag groeien. Bekende modellen uit deze periode zijn onder meer de Type H die dienst doet tijdens de Eerste Wereldoorlog en vanwege zijn betrouwbaarheid van de Engelse soldaten de bijnaam “Trusty” meekrijgt, en de Type SD uit de jaren '20. In het laatste geval gaat het om een 500 cc-model dat de geschiedenis in gaat als de eerste Triumph-motorfiets met achterwielaandrijving door middel van een ketting.

In een poging het productenscala van zijn merk uit te breiden, heeft Bentmann inmiddels een autofabriek op de kop getikt. Vanaf het begin van de jaren '20 verschijnen er hierdoor behalve Triumph-fietsen en -motorfietsen ook Triumph-auto's op de markt.

Zakelijk gezien is dit geen handige beslissing, zo blijkt als in de jaren '30 de crisis hard toeslaat. Om zijn dure auto-avontuur te kunnen bekostigen moet Bentmann in 1932 de fietsdivisie van de hand doen. Vier jaar later verkoopt hij ook zijn motorfietsbedrijf, aan John Young (“Jack”) Sangster.

Gouden tijden

Een nieuwe wereldoorlog betekent dat het merk aan de slag moet voor het Britse leger. In de nacht van 14 november 1940 wordt de Triumph-fabriek echter compleet platgebombardeerd. De productie van motorfietsen voor het leger wordt echter al snel voortgezet in tijdelijke faciliteiten in Warwick. Tegelijkertijd wordt in Meriden een nieuwe fabriek uit de grond gestampt, die in 1942 zijn deuren opent.

Kort na het eind van de Tweede Wereldoorlog begint Triumph weer motorfietsen voor de “gewone man” te maken. In 1951 wordt Triumph Motorcycles overgenomen door de BSA Group, waardoor de grootste motorfietsproducent ter wereld ontstaat. De merken BSA en Triumph worden echter wel gescheiden gehouden en blijven na de overname dus gewoon naast elkaar bestaan.

De jaren '50 en '60 zijn een gouden periode in de geschiedenis van Triumph. Het is een tijdperk waarin Engeland de toon aangeeft in de motorfietsindustrie en de motorsport. Een topper uit die jaren is de T120 Bonneville (“Bonnie” voor de fans), zonder twijfel een van de meest befaamde Triumph-modellen ooit.

Deze dubbelcarburator versie van de T110 Tiger wordt vernoemd naar een Amerikaanse zoutvlakte waar Johnny Allen een fenomenaal (maar uiteindelijk niet officieel erkend) snelheidsrecord neerzet. Deze motorfiets slaat vooral in de Verenigde Staten enorm aan en maakt Triumph aan de andere kant van de oceaan op slag een geliefd merk met cultstatus. Het feit dat filmsterren als Marlon Brando en Steve McQueen op het witte doek rondrijden op een Triumph draagt daar ook een steentje aan bij.

Ondergang en terugkeer

Met circa 50.000 geproduceerde motorfietsen per jaar, waarvan een groot deel naar Amerika wordt geëxporteerd, bereikt Triumph in de late jaren '60 zijn hoogtepunt. Door een combinatie van slecht management en de snelle opkomst van Japanse concurrenten zit het bedrijf echter slechts enkele jaren later bijna compleet aan de grond.

Dit leidt in 1973 tot de opname van Triumph in een nieuw, door de overheid gesubsidieerd bedrijf: Norton-Villiers-Triumph. Deze zet kan niet verhinderen dat de Triumph-fabriek in Meriden in 1983 definitief zijn deuren moet sluiten. In de jaren daarna maakt het fabriekscomplex plaats voor huizenbouw.

Zonder John Bloor zou hiermee de geschiedenis van Triumph zijn geëindigd. Deze miljonair koopt echter de naam en rechten op, laat een nieuwe fabriek bouwen in het plaatsje Hinckley, en zet een groep ontwerpers aan het werk om het merk nieuw leven in te blazen. Dit resulteert in 1990 in de lancering van zes nieuwe Triumph-motorfietsen. In de loop van de jaren ‘90 worden nog meer modellen geïntroduceerd, waaronder de populaire Speed Triple.

In de 21ste eeuw volgen onder meer de sportieve middengewicht TT600, een nieuwe versie van de legendarische Bonneville, en de Rocket III – de eerste productiemotorfiets die de tweelitergrens doorbreekt. Zelfs een zware fabrieksbrand in 2002 kan de triomfantelijke terugkeer van het merk niet stoppen. Een half jaar later wordt alweer op volle toeren gedraaid.

Naast modellen als de Bonneville, Speed Triple en Rocket III bestaat de huidige collectie onder meer uit de cruiser Thunderbird, de allrounder Tiger en de sportieve Daytona 675.